Personalpronomen im niederländischen deklinieren?

...komplette Frage anzeigen

1 Antwort

Ich-ik mijn: Ik heb mijn deur geopend

du-jij-jouw: jij hebt jouw deur geopend

er/sie/es-hij-zij-het-zijn-haar:  Hij/zij/ heeft haar deur geopend.

                                              Het kind heeft zijn/haar deur geopend.

wir-wij-ons/onze: Wij hebben onze deur geopend.

ihr- (U)-zij-(Uw)-hun: U heeft Uw deur geopend.

sie-ze-hun: Ze hebben hun deur geopend.

farbenlos 01.07.2017, 23:51

Bedankt! :)

0
Schwervelke 02.07.2017, 09:01
@farbenlos

Vergessen hatte ich:

Ihr: Jullie-Jullie. Jullie hebben jullie deur geopend. 

0

Was möchtest Du wissen?